65. Ooievaars in Samkok

Door Dick Koger

Ruim veertig jaar geleden ben ik eens, samen met Ton, vaste reisgenoot voor vele jaren, naar een gebied geweest, een kilometer of twintig boven Bangkok. Daar stroomt dezelfde rivier als die, welke door Bangkok kronkelt. Aan die rivier lag een klein plaatsje en voor een habbekrats kon je een motorboot huren, die je naar de overkant bracht. Daar was een bos en in de bomen van dat bos nestelden ooievaars, althans in het broedseizoen, van januari tot april. Het was een fascinerend gezicht. Honderden ooievaars vlogen af en aan met vis voor hun kroost.

Omdat ik het leuk vind om naar plaatsen te gaan, die nog maar vaag in mijn geheugen gegrift staan, ga ik naar Bangkok om aan dezelfde Ton te vragen, waar dat precies was. Hij vertelt me dat dat in de provincie PathumThani is en dat het kleine plaatsje SamKok heet. Vroeger gingen we met een bus vanuit Bangkok en moesten daarna twee keer overstappen. Dat lijkt me nu te ingewikkeld. Daarom huren we voor één dag een auto met chauffeur. PathumThani is gemakkelijk gevonden en als we de stad doorrijden, zie ik tot mijn vreugde een bord met SamKok. Honderd meter verder rechtsaf. Deze weg leidt naar de rivier en, wanneer we daar aankomen, lijkt het alsof ik er gisteren geweest ben. Dezelfde gigantische bomen en enkele kleine restaurantjes. En aan de overkant van de rivier, iets naar links, zie ik weer het bos. Erboven vliegen ooievaars. De tijd heeft hier stil gestaan.

Mijn chauffeur informeert hoeveel het kost om naar de overkant gebracht te worden. Honderd Baht, heen en weer. Dat is duurder dan twintig jaar terug, maar nog steeds betaalbaar. We stappen in de lange platte boot en koersen naar de overkant. Bij een houten plankier stappen we uit en maken met de bootsman de afspraak dat hij ons over een uur weer komt afhalen. Het bos ruikt bijna benauwd door de hoeveelheid ooievaarspoep, maar je moet iets voor de natuur over hebben. Ik herinner me dat aan het eind van het pad een tempel ligt en ook dat is niet veranderd.

Omdat het gebied niet vlak is, kan je op een berg precies in de nesten kijken in de top van lager gelegen bomen. Heel stil maak ik mijn Nikon gereed met een telelens van vierhonderd millimeter. Het is niet te geloven, zo goed als je de bedrijvigheid van de vogels kan volgen. Vijf, zes jongen in het nest en vader en moeder maar af en aan vliegen met voedsel. Onophoudelijk klinkt mijn motordrive.

         

   

Deze foto’s zijn inmiddels digitaal genomen en missen de telelens

Eén van de tempelgebouwen blijkt een plat dak te hebben, waar je bovenop kan komen en daar hebben we niet eens een telelens nodig. Op enkele meters afstand kunnen we de nesten benaderen, zonder de vogels te verstoren. Onvoorstelbaar dat deze dieren al meer dan twintig jaar steeds deze plek uitzoeken om te nestelen. Ik zal er nog vaak teruggaan.

Het uur is voorbij, dus we lopen weer naar de rivier. Daar wachten we korte tijd op de boot en keren dan weer terug naar de andere oever, waar we in een restaurantje een eenvoudige maaltijd gebruiken. Daar herinner me ineens dat we twintig jaar terug een eind verder de rivier opgingen en bij een tempel aan deze kant stopten. De bomen rond die tempel hingen vol met slapende vleermuizen. Dat lijkt me iets voor volgend jaar. We gaan terug naar Pattaya.