4. Ranong

Ranong, een mooie prijs

Door Dick Koger

Twee eindeloos vervelende dagen in Penang kenden slechts twee vrolijke momenten. De eerste, toen ik mijn paspoort terug kreeg met stempels die goed waren voor een nieuw verblijf in Thailand. De tweede, toen mijn trein de grens van Maleisië en Thailand passeerde. Ik was weer thuis.

Met de wetenschap dat ik om een uur of twee, midden in de nacht, moet uitstappen in Chumpong, doe ik uiteraard geen oog dicht, doodsbenauwd dat ik me zal verslapen. Nodig is het niet, want ik word keurig om halftwee op de schouder geklopt met de waarschuwing dat we mijn reisdoel naderen. Het eenvoudige station van Chumpong gonst nog van leven, ondanks het feit dat slechts enkele mensen uitstappen. Een vriendelijke jongen stapt op mij af met de vraag of ik een motortaxi wil. Dat lijkt me wel handig, want hij weet vast een redelijk hotel. Dat blijkt waar, maar als ik naar de prijs informeer en hoor dat dit slechts honderd Baht is, vraag ik of er geen duurdere zijn. Die zijn er ook, hij zal me naar een hotel van honderdvijftig Baht brengen. We rijden net weg of hij informeert al behulpzaam of ik geen meisje zoek voor de nacht. Ik besef dat ik weer in Thailand ben. Alles is weer mogelijk tot in de kleinste plaatsjes en op alle momenten van de dag. Ik zeg alleen dat ik niets nodig heb, omdat ik moe ben.

Aan een stil en donker pleintje ligt het bedoelde hotel. Het ziet er niet uit, maar het is laat en ik ben doodop. Het is echter gesloten. Mijn chauffeur begint tegen ijzeren tralies te slaan en na een minuut of vijf wordt er iemand wakker. Een slaperige knaap met half lang haar, maakt het hek open en ik betaal en bedank mijn chauffeur. Ik moet een formuliertje invullen en ik krijg een sleutel. Hij wijst naar de trap en dat is het eind van ons contact. Mijn kamer is eenvoudig ingericht en vermoedelijk lang geleden schoon gemaakt. Het onderlaken is smerig. Een bovenlaken ontbreekt. Er zijn geen handdoeken, maar er is ook geen badkamer. Wel een roestig fonteintje in een hoek. Het kan me niet schelen. Ik ga op bed liggen en val in slaap.

Halfacht ben ik weer op en ga naar beneden. Er blijkt daar een groot restaurant, dat al druk bezet is. Ik betaal mijn kamer en informeer, hoe ik in Ranong kom. De vrouw bij de receptie denkt eens goed na en vraagt of ze een minibusje moet regelen. Graag, zeg ik. Ze telefoneert en zegt dat er om acht uur een busje mij komt ophalen. Ik eet mijn gebruikelijke rijstsoep en wanneer ik die op heb, is het tien voor acht. Het is heerlijk weer in Thailand te zijn. De mensen lachen hier in tegenstelling tot in Maleisië. Het minibusje rijdt voor. Er is nog net één plaats in vrij. Ik heb kennelijk geluk. Een tocht van twee uur door een prachtig berggebied. Wanneer we Ranong naderen zie ik links mijn hotel liggen. Ik roep tegen de chauffeur dat ik er hier uit wil. We stoppen en ik vraag, hoeveel deze reis me kost, me bewust dat het volslagen fout is dit niet van tevoren af te spreken. Het is slechts zeventig Baht. Er zijn gelukkig ook eerlijke mensen.

Ik meld me aan de receptie van het Jansom Tara Hotel. Mijn zusje was met haar man en kinderen met Oudejaarsnacht in een hotel een paar honderd kilometer naar het Noorden en bij hun diner zat een lot. Zij wonnen een hoofdprijs: een verblijf van twee nachten in dit luxe hotel in Ranong. Helaas konden zij deze prijs niet consumeren, dus offer ik me op en doe dat nu voor hen. Ik heb een paar weken geleden gereserveerd en dit is goed door gekomen. Ik word naar mijn kamer gebracht en constateer dat dit inderdaad luxe is. Wat een verschil met afgelopen nacht. Een goed gesorteerde minibar. Grootbeeld televisie met twintig netten op de kabel. Een prachtige badkamer. Ik kijk uit op de bergen, maar dat kan hier niet anders. Vlak onder mijn raam stroomt een helder beekje, waarin vrouwen de was doen en jongens uitgelaten spelen. Hier zal ik me niet vervelen. Wel jammer dat niemand mij aan de receptie verwelkomde en feliciteerde met mijn prijs. Dat had net een extra accent gegeven.

Ik begin met een schuimbad. Daarna ga ik wat eten in een restaurant. Een prima keuken. Vervolgens breng ik een bezoek aan het zwembad. Een oase van rust. Ik ben de enige bezoeker. Na een paar uur ga ik wat wandelen in het stadje. Ik ben verbaasd dat ik verschillende buitenlanders tegenkom. Dit past overigens wel bij eerdere constateringen, dat het toerisme zich steeds verder verwijdert van de vroegere trekpleisters: Bangkok en Pattaya. Wanneer ik genoeg gelopen heb, neem ik een motortaxi naar de warmwater bron, waaraan Ranong zijn bekendheid ontleent.

Het blijkt een soort vergrote waterput te zijn, die overloopt in de richting van een rivier. De damp slaat er vanaf en het water is inderdaad kokendheet. In een nabijgelegen restaurantje bestel ik een grote pils. Na mijn derde bier neem ik een motortaxi naar mijn hotel. Dat blijkt op loopafstand te liggen. Het riviertje van de warm water bron is hetzelfde als dat langs mijn ramen. Ik eet nog wat in het restaurant en ga vroeg naar bed.

Om negen uur ontbijt ik. Er is een buffet voor honderdtwintig Baht en je kan zo gek niet verzinnen of het is er. Omdat ik me niet kan permitteren langer dan de twee gratis nachten te blijven, neem ik een taxi naar het busstation om te informeren, hoe ik morgen naar Bangkok kan. Er blijkt slechts één blauwe airconditioned bus per dag te zijn. Die vertrekt ‘s avonds acht uur en komt om halfzes in Bangkok aan. Daar heb ik geen trek in. Er zijn wel meerdere rode stopbussen, die in de morgen vertrekken, maar die komen ook de volgende morgen vroeg pas in Bangkok aan. Ik heb een probleem. Ik ga terug naar het hotel om te vragen of ik weer terug naar Chumpong kan om daar een trein te nemen. Bij een reisbureautje in het hotel vertellen ze tot mijn grote verbazing dat Ranong een luchthaven heeft. Dat lijkt me een uitstekend idee. Er gaat één vlucht per dag, maar als ik voor morgen wil reserveren, stuit ik weer op een probleem. De vlucht is vol en bovendien ruim overboekt. Ik blijf vriendelijk aandringen. Uiteindelijk is men bereid de luchthaven op te bellen. Het resultaat is hetzelfde. Ik vraag of ik op de wachtlijst geplaatst kan worden, maar dat heeft volgens hen geen zin. Toch houd ik vol en uiteindelijk kom ik op die wachtlijst. Ik moet dan wel zorgen dat ik een uur voor vertrek, om negen uur gepland, op de luchthaven ben. Dat moet ik dan maar doen en kijken wat er van komt.

Tijd voor het bezichtigen van Ranong. Ik charter een oudere man op een motor. Eerst laat ik me naar de Wat Hat Sompaen brengen, zo’n twaalf kilometer van Ranong.

Dit blijkt een oude tempel op een berg. Moeizaam beklim ik de trappen. Boven fotografeer ik een mooi gekleurd rad van rechtvaardigheid. Verder is er weinig te zien. Beneden vraag ik mijn chauffeur me nu naar de Governor’s Graveyard te brengen.

Dit ligt aan de andere kant van Ranong en blijkt een Chinees kerkhof. Eén graf, vermoedelijk dat van de governor, is voorzien van prachtig beeldhouwwerk. Hij moet heel rijk zijn geweest. We gaan verder naar de haven van Ranong of althans naar Hat Ranong Andaman. Onderweg ruik ik iets, dat me doet denken aan de geur die je vroeger kon ruiken bij een bepaalde wind in Hillegersberg. Die lucht was afkomstig van een destructiebedrijf, kilometers verderop. waar van koeienkadavers lijm werd gemaakt. Een walgelijke stank. De Hat Ranong Andaman kijkt naar links uit naar de Andaman zee. Naar rechts ligt Birma aan de overkant. Een luxe boot zou van hier naar een casino varen, maar dat kan ik niet vinden. Ik zou trouwens toch niet gegaan zijn.

We gaan terug naar Ranong. Ik geef de chauffeur tweehonderdvijftig Baht en daar is hij dik tevreden mee. Ik wil op een marktje een pils drinken en daar gewoon een beetje om me heen kijken, maar er is geen bier, dus stap ik weer op. Ergens anders is wel bier, maar daar is het minder gezellig, dus ga ik terug naar het hotel om aan het zwembad lekker lui te liggen lezen. Dit doet me denken aan een poster van Dick Bruna. Een liggend beertje op een groene grasmat met een boek in de handen. Tekst :lekker lui liggen lezen. Beter kan toch niet, vind ik. Het hotel heeft een stoombad, rechtstreeks verbonden met de warmwater bron, maar daar vind ik het eigenlijk te warm voor en aan geneeskrachtige werkingen heb je niets, wanneer je je gezond voelt.

Al vroeg op. Ik reken af en krijg keurig een rekening, waarop de twee nachten ontbreken. Weer geen vraag of ik tevreden ben met mijn gewonnen prijs. Een auto van Bangkok Airways brengt me naar de luchthaven, die twintig kilometer buiten de stad ligt op één van de weinige vlakke terreinen hier. Ik meld me bij de balie en vraag zo vriendelijk mogelijk of ik een kans heb op een plaats. Een vriendelijke juffrouw geeft mij weinig hoop. Ik ben nummer veertien op de wachtlijst en het is slechts een klein toestel. Ik leg de juffrouw uit dat ik beslist vandaag in Bangkok moet zijn, omdat ik vandaag doorvlieg naar Europa. Ik probeer maar wat. Ze zal haar best doen. Ik blijf haar verder steeds vriendelijk toelachen. Alle passagiers die zich komen melden verwens ik krachtig. Nog dertig minuten. Ik ga maar eens vragen of mijn kansen al gestegen zijn. Ik hoor nu misschien. Dat is beter dan weinig kans. Voor de zekerheid blijf ik bij de incheckbalie. Er komt nu een meneer bij, die kennelijk de chef is van de dames. Ik leg hem ook maar weer eens vriendelijk uit dat ik naar Europa moet en hij begrijpt mijn probleem. Nog tien minuten. De man roept mij toe dat er een redelijke kans is. Ik lach hem vriendelijk toe. Dit moet slagen. Vijf minuten voor vertrek het verlossende woord. Er is een plaats voor mij. Ik betaal mijn ticket en kan direct doorlopen naar het vliegtuig. Het is inderdaad tot de laatste plaats bezet. Wat kom je toch ver met vriendelijkheid.

Om elf uur ben ik in Bangkok en na een snelle taxirit bereik ik Pattaya weer. Ranong is heel mooi, maar, wanneer je er eenmaal geweest bent, dan is dat wel genoeg. En dat kan je alleen weten, wanneer je er geweest bent.